Geschiedenis van de wijk

De geschiedenis van de Hertogenwijk

Bronnen: Huub van Heiningen ('Versteend verleden' en andere publikaties), Regionaal Archief en Documentatiecentrum Rivierenland, De Zaak van de Stad (Presentatie Tiel - De beste binnenstad), Joniek Kemperman (gemeente Tiel), Nota Tiels Stedelijk Ontwikkelingsbeleid, oude stadskaarten en wijkbewoners

Weet u zich nog dingen van vroeger te herinneren? We willen het erg graag van u horen! Via de contactpagina kunt u contact kunt opnemen.

Bataven en Romeinen
Tiel is een van de oudste steden van Nederland. De historie gaat terug tot ver voor onze jaartelling, eens woonden hier Bataven en Romeinen. De stad is ontstaan bij een kruispunt van belangrijke vaarwegen, de Linge en de Waal. In de negende eeuw werd Tiel voor het eerst genoemd als nederzetting bij een klooster en een burcht. In 1009 plunderden de Vikingen de stad. Daarna volgde een periode van relatieve voorspoed. In de tiende en de elfde eeuw groeide Tiel uit tot een handelsplaats met een koninklijke tol en intensieve contacten over zee. Vanaf de twaalfde eeuw nam de internationale rol geleidelijk af. De met muren versterkte stad groeide echter nog steeds en werd lid van de Hanze. Dit was een Noord-Europees samenwerkingsverbond van handelssteden, dat vooral van grote betekenis was voor de Oostzeehandel. Tot in de late Middeleeuwen was Tiel een belangrijke handelsstad.

Tiel omstreeks 1907Toen Tiel ontstond, volgde de hoofdstroom van de Waal de bedding van wat nu de Doode Linge genoemd wordt. Aan de vorm en structuur van de binnenstad is dat nog steeds af te lezen. Buiten de stadsmuren lag agrarisch gebied.

Graven en hertogen
Tiel was menigmaal de inzet van machtsstrijd tussen de graven van Gelre en de hertogen van Brabant. In 1339 werd de stad definitief Gelders, nadat graaf Reinald II van Gelre de stad veroverd had op hertog Jan van Brabant. Graaf Reinald werd in hetzelfde jaar door keizer Lodewijk IV tot hertog verheven. Na hem werd Gelre achtereenvolgens geregeerd door Reinald III, Eduard, Mechteld, Willem I, Reinald IV, Arnold, Adolf, opnieuw Arnold en tenslotte Karel. Naar deze Wapen van hertog Reinald II van Gelrehertogen is veel later de Hertogenwijk genoemd.

In 1528 werd met succes tot drie maal toe een bestorming van keizerlijke soldaten afgeslagen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw zuchtte de stad zwaar onder het Franse juk, en aan het einde van de achttiende eeuw opnieuw.

De industriële revolutie
In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide Tiel uit tot een kleine industriestad. Met name de metaalnijverheid, galvaniseerbedrijven en fruitverwerking kwamen tot ontwikkeling. De grootste werkgevers waren het metaalwarenbedrijf Daalderop en conservenfabriek De Betuwe, die rond 1880 de eerste grote fabrieken bouwden in Zandwijk (Tiel-Oost). Daalderop had in zijn hoogtijdagen wel 1400 mensen in dienst. De schafttijden van Daalderop en De Betuwe waren zelfs op verschillende uren, om filevorming te voorkomen van arbeiders op klompen die thuis gingen eten. Andere belangrijke werkgevers waren Metawa, Kurz en Rio.

Inundatiekanaal, 2008De stadsmuren werden gesloopt en de eerste stadsuitbreiding kwam op gang. Woningen en bedrijven werden gebouwd en wegen verhard, en de spoorlijn Geldermalsen - Est (1882) maakte Tiel per trein bereikbaar. In deze periode werd ook het Inundatiekanaal aangelegd tussen de Waal bij Tiel en de Linge bij Wadenoijen. Het Inundatiekanaal was onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie: een militaire verdedigingslinie rondom de steden van Holland, die tot in de Tweede Wereldoorlog gebruikt werd. Door een ingenieus systeem van sluizen, inundatiekanalen en bestaande waterwegen kon de waterlinie binnen drie weken onder water worden gezet, zodat de vijand zich er moeilijk kon verplaatsen. Hij strekt zich uit van de voormalige Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Gorinchem.

De Tweede Wereldoorlog heeft een enorme impact gehad op de stad. Aan het begin en aan het einde ervan is de gehele stad geëvacueerd. In de laatste maanden van WOII was Tiel frontstad. De historische binnenstad werd toen voor een groot deel in puin geschoten.

In de tweede helft van de twintigste eeuw breidde de stad zich sterk uit. De A15, aangelegd in de jaren zestig, zorgde voor een goede ontsluiting. De tolbrug over de Waal maakte het mogelijk sneller in het Land van Maas en Waal te komen. (De bedoeling was ook bruggen te bouwen bij Wijk bij Duurstede over de Lek en bij Megen over de Maas, om zo een degelijke noord-zuidroute te bewerkstelligen. De laatstgenoemde twee bruggen werden echter nooit gebouwd.) Aan de oostzijde werd het Amsterdam-Rijnkanaal aangelegd. Door de uitbreiding ten noorden van het spoor werd het dorp Drumpt in de stad opgenomen. In de jaren zestig lag het accent op de uitbreiding met de nieuwbouwwijken in Tiel-West, beginnend met de Hertogenwijk.

Westluiden
De Hertogenwijk heette in het verleden Westluiden, dat wil zeggen westelijke 'leede' of afwatering. De stadsgracht, die aan de noordoostzijde aansloot op de Doode Linge, Westluidense poort, 1737waterde hier via een sluis af op de Waal. Waar nu restaurant Lotus is, was de Westluidense poort in de stadsmuur. De dijk en de Kwelkade dateren van het eind van de dertiende eeuw. Een kwelkade is een kade die evenwijdig aan de dijk loopt. Deze houdt bij hoge rivierstanden het onder de dijk doorsijpelende 'kwelwater' tegen.

In het begin van de vijftiende eeuw was in dit gebied al een leprozerie of 'Heylighe Geesthuys', een kerkelijke inrichting voor lijders aan melaatsheid en later de pest. Hieraan herinnert de Heiligestraat. De zieken mochten alleen binnen de grachten komen om op zondag de mis bij te wonen. Als ze de gracht overstaken, moesten zij hun komst aankondigen met een ratel of bel. In de Sint Maartenskerk zit nog altijd het kijkgat dat het hen mogelijk maakte van buiten af de mis te horen. Zij mochten zelfs na hun dood niet in de stad komen en werden begraven op een kerkhof tegen de dijk aan, dat de 'Melatenhof' heette. Dit lag ongeveer waar nu de Rietmattenstraat is.

De gebruikers van de dijk hadden de plicht die te onderhouden. In 1460 stond ongeveer op de plaats van Bellevue een houten korenmolen. In 1589 werd de laatste molenaar, Evert de Mollener, verbannen omdat hij een stukje dijk niet gerepareerd had. Waarschijnlijk was hij daar ook niet toe in staat, door de troebelen in de tachtigjarige oorlog waarin Tiel zwaar belaagd werd. De molen is waarschijnlijk rond die tijd door brand verwoest.

Plantage
Villa FruithofHalverwege de zestiende eeuw liep er al een weg rond de Plantage, die toen uit bouwland bestond. Dit heette toen Vrijthof en maakte deel uit van een uitgesterkt grondgebied van de Tielse kloosters. Bij de confiscatie van de geestelijke goederen werd de Vrijthof eigendom van de gemeente. Deze verpachtte hem als tuingrond en boomgaard, en in de stadsarchieven werd de naam verbasterd tot Fruithof. In 1861 werd de Fruithof met zijn 1 bunder en 34 roeden voor 5.500,- gulden verkocht aan B.R.P. Hasselman, die er een kapitale villa op bouwde. Hij zou enkele jaren later zijn broer opvolgen als burgemeester van Tiel. In 1936 werd door zijn erfgenamen een brede strook grond langs de Nieuwe Tielseweg verkocht voor woningbouw. De villa ging al gauw schuil achter een rij huizen en werd vooral na de tweede wereldoorlog voor verschillende doeleinden gebruikt. Het vervallen gebouw met de grond wisselde enkele malen van eigenaar. Toen over bebouwing van het gebied geen overeenstemming bereikt kon worden, brandde de villa op een zondagmiddag van 1990 geheel uit. Sindsdien is er nog alleen een ruïne van over.

In de Franse tijd (1795) is er ten noorden van de Vrijthof een paradeweg aangelegd, langs de eerste stralen van de ochtendzon van de langste dag. Aan het einde hiervan, op de dijk, stond een grote gouden bal, symbool van de opkomende zon van de Verlichting. Toen de Fransen weg waren, heeft men deze weg de Nieuwe Tielseweg genoemd. De Oude Tielseweg liep van Ophemert naar de Papesteeg via het tracé van een weg die al door de Romeinen gebruikt werd.Stadsboerderij uit 1850

Boerderijen, huizen en fabrieken
In de negentiende eeuw werden er meer boerderijen en huizen in Westluiden gebouwd. De Kwelkade werd bebouwd, en wat later de Verlengde Kwelkade, de huidige Graaf Waltgerlaan. Hier staat nog altijd een voormalige stadsboerderij van rond 1850.

Voor 1850 was er buitendijks al een 'steenoven', die in het seizoen ongeveer vijfentwintig arbeiders in dienst had. Verder waren er drie leerlooierijen, een zoutziederij, een oliemolen, twee brouwerijen, drie grutterijen en niet te vergeten de waterverffabriek van schilder D. van Oosterhoudt. Maar die verschaften samen nauwelijks aan vijfentwintig mannen werk.

Café's aan de WaaldijkTegelijk met de industriële ontwikkeling kwam de stoomvaart op. Door de geringe diepte van de oude haven konden de stoomboten daar niet aanleggen. Zij weken uit naar de Westluidense dijk. De daarachter gelegen Kwelkade werd het eerste en voor tientallen jaren het belangrijkste industriegebied van Tiel. In 1842 liet Johanna Geertrui Busink, de weduwe van Gerrit Campagne, hier Bellevue bouwen, een sociëteit en koffiehuis voor gegoede handelslieden. Korte tijd later werden ernaast twee cafés gebouwd, die vooral gericht waren op het personen- en goederenvervoer via de stoomvaart. Een van de twee was het karakteristieke dijkcafé Belvédère, dat in 1996 is afgebroken ten behoeve van de dijkverzwaring.

Kaart van de wijk in 1830

 

In 1853 en 1854 werden aan de rand van de wijk de meekrapfabriek (meekrap is een rode verfstof) en de gasfabriek gevestigd. In 1859 opende F.W. van Gendt G.Jzn naast de hofstede van Steven Mulders een rietmattenfabriek, die hij "beleefdelijk aanbeveelt aan de heeren steenfabriekanten". In 1865 startte aan de Kwelkade de papier- of strokartonfabriek, die na enkele jaren al tachtig werklieden in dienst had. De directie vroeg dan ook aan het gemeentebestuur in deze omgeving enkele lantaarns te plaatsen, omdat het vaak voorkwam dat mannen die van heinde en ver naar de fabriek kwamen gelopen, door de duisternis in een sloot terechtkwamen. In 1872 stichtte Van Waardenburg op de 'Lange akkers' een dakpannenbakkerij.

Niet alle bestuurders waren even gelukkig met de industriële ontwikkeling in de directe omgeving van de Plantage. Dat ondervonden Verwey en Spoorenberg die in 1873 vergunning vroegen om tussen de Nieuwe Tielseweg en de Hucht een fabriek te bouwen waarin zetmeel uit aardappelen tot glucose zou worden verwerkt. De toestemming werd geweigerd omdat het gemeentebestuur stank en verdere vervuiling van de grachten vreesde. De plaats was bovendien, aldus B&W in een verweerschrift aan Gedeputeerde Staten, "gekozen in de zogenaamde siertuinen tussen de stadsgrachten en openbare wandeling, die steeds meer door grote en kleine woningen bebouwd wordt. De meekrapfabriek hebben we het lozen op de stadsgracht al moeten verbieden en nu willen zij zich juist nabij de stadsgrachten of resten daarvan vestigen." Het bedrijf kreeg echter via de Kroon een vergunning en ging daarna al vrij snel over tot de fabricage van druivensuiker en 'margarineboter'.

Gerechtsgebouw
GerechtsgebouwDat al deze bedrijvigheid ook schaduwkanten had, bleek in 1878. De gemeente bood aan het Ministerie van Justitie een stuk van de Plantage aan om daarop een gerechtsgebouw te zetten. De rechters van het hele arrondissement tekenden een brief aan de minister, waarin ernstig bezwaar werd gemaakt tegen deze plaats. De kwade uitwasemingen van de fabrieken, de drassigheid van de grond en de winderigheid in dit buitengebied zouden deze plaats schadelijk voor de gezondheid en brandgevaarlijk maken. De reactie van het gemeentebestur was nogal vinnig: de heren schuwden de koude wind niet als ze in dezelfde omgeving in de sociëteit zaten, en in de armoedige dichtbebouwde omgeving waar het gerechtsgebouw nu stond (Bleekveld / hoek Kerkstraat) was de kans op brand veel groter. Nadat de gemeente had beloofd het hele terrein op te hogen (met grond uit het Inundatiekanaal), legde de minister uiteindelijk het bezwaar terzijde. In 1882 werd de Arrondissementsrechtsbank gebouwd, die met ingang van 2011 alleen nog dienst doet als zittingslocatie van het Kantongerecht. Sinds 2009 is er een Veiligheidshuis gevestigd; daar werken instanties als het Openbaar Ministerie, politie, reclassering, Jeugdzorg en de leerplichtambtenaar samen om te zorgen dat ontspoorde jongeren niet in herhaling vallen.

Na 1880 bereikte de industriële activiteit aan en achter de Westluidense dijk een hoogtepunt. In 1886 lieten P. Formijne en J. Gollards naast Bellevue een voor die tijd forse sigarenfabriek bouwen. Die werd later de woonhuizen Kwelkade 3/5. In 1923 werd in die hoek de koek- en beschuitfabriek 'De Volharding' gebouwd en een jaar later de machinefabriek van F. Stegehuis.

Voormalige sigarenfabriekHet buurtje van Steven Mulders
De industriële ontwikkeling had grote gevolgen voor de woningbouw. De arbeiders, die te voet naar en van hun werk gingen, wilden zo dicht mogelijk bij hun baas wonen. Daardoor ontstonden aan het eind van de Kwelkade, aan de Nieuwe Tielseweg, op de Hucht en op de Adamshof in snel tempo dicht bebouwde wijkjes. Waar de koeien graasden, werden huisjes gebouwd en de boer werd huisjesmelker. Een van de boeren die zich aanpasten aan de ontwikkeling was Steven Mulders Wouterszoon. Zijn familie woonde al generaties aan de dijk, naast de vroegere Melatenhof. Hij liet op zijn akkers hele rijen huisjes bouwen. Als ze gevuld waren, werd een deel ervan compleet met bewoners verkocht aan winkeliers, die zich een inkomen voor hun oude dag wilden verschaffen. Dan liet Mulders weer andere rijtjes bouwen, totdat zijn land gevuld was en de hele wijk 'het buurtje van Steven Mulders' werd. In 1930 noemde het stadsbestuur een deel ervan Rietmattenstraat en nog weer dertig jaar later Graaf Waltgerlaan.

Huizen en fabrieken rond de Plantage in 1900Er bleven in het buurtje nog enkele boerderijtjes in bedrijf en aan bijna elk huisje zat ook een varkenshok. Aan het eind van de negentiende eeuw trok het buurtje nogal eens de aandacht van dokter dr. J.K. Pameijer van de regionale gezondheidscommissie. De Inspecteur van de Volksgezondheid beschuldigde het gemeentebestuur ervan onvoldoende mee te werken om een eind te maken aan de onbeschrijflijke bende en stank in de volkswijken. Als reactie hierop nam dokter Pameijer ontslag als gemeente-arts, om als lid van de gemeenteraad te kunnen strijden voor verbetering van de huisvesting van 'minvermogenden'. In 1911 stond hij aan de basis van de voorloper van de Stichting Volkshuisvesting Tiel (SVT, nu Kleurrijk Wonen).

Azijnstraat
In 1912 stichtten Dr Vermet en Fuchs op een nog vrij gebleven akker aan de Kwelkade, achter de huisjes aan de Verlengde Kwelkade, een azijnzuurfabriek. Toen het bedrijf in 1929 na een faillisement met de grond werd gelijk gemaakt, had het een spoor van vernieling achtergelaten. Er was onder andere een zware ontploffing geweest, twee forse branden, een zeer langdurige staking, lucht- en bodemverontreiniging en een ondraaglijke stank. Het bedrijf loosde op de sloten, terwijl een oude wiel ter plekke werd gedempt met bedrijfsafval. Al in het jaar van de stichting van het bedrijf schreven C. Berendse en de zoon van Steven Mulders aan de gemeente dat hun fruitbomen schade opliepen en planten in de tuin dood gingen door het water uit de sloot waarop de fabriek loosde. Dat kon geen zaak zijn van de overheid, zo besliste het college van B&W, zodat het een lang lopende civiele rechtszaak werd. Misschien werd daarom in 1930 wel het voorstel van B&W verworpen om de straat Azijnstraat te noemen. ''Met die naam vang je geen vliegen, laten we er Honingstraat van maken'' stelde het raadslid Bosman voor.

In de Honingstraat was na de tweede wereldoorlog onder andere smid-loodgieter Has Kooiman gevestigd. Hij was een vermogend man: op nr 17 woonde hij zelf, op nr 19 had hij een magazijn en garage, op nr 15 woonde zijn dochter Jo met haar gezin en verder bezat hij nog nr 13. Op de plaats van de rietmattenfabriek zat toen een stempelmakerij en ernaast op de Hertog Arnoldstraat een gereedschapmakerij.

Van plantage naar hertenkamp naar dierenpark
Muziektent omtreeks 1955 (foto Bert van de Berg)De Plantage was voor de tweede wereldoorlog dicht begroeid met bomen. Daartussen stond een muziektent waar geregeld concerten werden gegeven. Door de geallieerde beschietingen van Tiel vanaf het bevrijde gebied aan de overkant van de Waal, werd deze muziektent aan het eind van de oorlog ernstig beschadigd. Bij de restauratie in de jaren vijftig werd er omheen een diepe karpervijver met een mooie brug aangelegd en sindsdien vonden er weer concerten plaats. Jammer genoeg is de muziektent niet lang daarna om onduidelijke redenen afgebroken en de vijver volgestort met puin. In 1963 schonk de Oranjevereniging de burgerij van Tiel een hertenkamp op de Plantage. De gemeente heeft deze in 1988 overgedragen aan een stichting, die de hertenkamp uitbouwde tot het huidige dierenpark.

Hertogenwijk
De Hertogenwijk is na Tiel-Oost de oudste uitbreidingswijk van de stad. In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw werd de wijk volgebouwd tot aan het Inundatiekanaal. Dit was voor een groot deel sociale woningbouw voor de gastarbeiders uit het Middellandse-Zeegebied die in de industrie kwamen werken. De galerij- en portiekflats werden neergezet met financiële steun van een aantal Tielse bedrijven, waaronder Daalderop en De Betuwe. In 1958 werden zes straten vernoemd naar de hertogen Adolf, Arnold, Eduard, Karel, Reinald en Willem; in 1960 kwam daar nog graaf Waltger bij (rond het jaar 900 was Tiel in bezit van graaf Waltger van Teisterbant). Kort daarna is men het gebied Hertogenwijk gaan noemen.

In 1951 kwam een groep Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen in Tiel aan. Na een 'tijdelijk' verblijf van tien jaar in woonoord Schutsluizen en De Elzenpasch, verhuisden zij in 1961 naar de Hertogenwijk en andere delen van Tiel-West. De Molukse buurt heeft een speciale status, de voormalige 'domeinwoningen' (die oorspronkelijk van de Rijksoverheid waren) worden met voorrang aan Molukse mensen toegewezen.

De eerste flats, 1971In de jaren tachtig van de twintigste eeuw is veel werkgelegenheid in de industrie verdwenen als gevolg van mondiale verschuivingen. Een groot aantal bewoners van de Hertogenwijk moest ander werk zoeken en velen raakten werkloos. Zonder diploma's en met een beperkte kennis van het Nederlands maakten ze weinig kans op de arbeidsmarkt. Zij zijn in hun oude flats blijven wonen, maar hun kinderen verlieten in veel gevallen de wijk zodra zij zich een betere woning konden veroorloven.

Sinds ongeveer het jaar 2000 vond er een 'witte vlucht' plaats: steeds meer wijkbewoners met een Nederlandse achtergrond verlieten de wijk. Hun plaats werd veelal ingenomen door vluchtelingen en nieuwkomers.

Om de verpaupering van de wijk te stoppen, hebben gemeente Tiel, woningcorporatie SCW en Stichting Hertogenwijk de handen ineen geslagen en onder de noemer 'Werk aan de winkel' de woningen, de winkels en de woonomgeving opgeknapt.